Het Regeerakkoord voor de komende periode spreekt opnieuw ferme taal over de jeugdzorg. Het is te complex geworden. Teveel regels en teveel incidenten.
Daar is geen speld tussen te krijgen. Het is evident dat er veel instanties en regulering in de jeugdzorg actief is. Stelselwijziging op stelselwijziging is in de afgelopen decennia gepasseerd. Minister Rouvoet stelde de Centra voor Jeugd en Gezin nota bene in om in die wirwar nog de bomen door het bos te kunnen zien. Zowel voor de client als voor de hulpverlener. Alhoewel ik me sterk afvraag of die Centra voor Jeugd en Gezin niet ordinair een vierde bestuurslaag worden was dit wel de juiste koers om te gaan. Je kunt immers stelselwijziging op stelselwijziging doorvoeren, zoals dat in veel zorgsectoren gebeurt, maar je moet oppassen dat je daar de zorgprofessionals niet mee demotiveert en de cliënt weinig helpt.
Het is er vaker nog ingewikkelder en nog bureaucratischer op geworden. Stelselwijzigingen zijn vooral voer voor ambtenaren en adviesbureaus, die overigens door dit kabinet niet echt gewenst worden. De Centra voor Jeugd en Gezin waren bedoeld om een plek te zijn waar al de regelingen bij elkaar komen die voor een cliënt van belang zijn. In het loket zou de cliënt (en zijn omgeving) op passende wijze geholpen moeten worden. Die gedachte is zo gek nog niet, omdat het nu eenmaal complex in elkaar zit. Een probleemjongere heeft al snel te maken met zorgregelingen, onderwijsvoorzieningen, justitiële procedures en mogelijke strafrechtelijke consequenties.
De regelingen stapelen zich snel op, en daar kan ook een nieuwe stelselwijziging vrij weinig aan veranderen. Je krijgt dat nooit heel soepeltjes in 1 goed lopend systeem gepropt. Maar belangrijker nog dan zo’n plek om die regelingen af te stemmen is te investeren in de mensen die uiteindelijk met de jeugd moeten werken, terecht moeten wijzen of moeten begeleiden. Dat vraagt om het verbeteren van de opleidingen voor jeugdzorgwerkers. Daar is het Actieplan Professionalisering Jeugdzorg belangrijk bij geweest.
Met veel enthousiasme zijn werkgevers, hulpverleners, onderwijsinstellingen en cliënten uit alle betrokken sectoren met elkaar aan de slag gegaan om dat te doen. Men kwam erachter dat in de zorgopleidingen nauwelijks aandacht bestond voor justitiële problemen rond jongeren en dat dit bij de opleidingen voor maatschappelijk werker het geval was voor wat betreft culturele verschillen onder jongeren. Er zijn nu uitstroomprofielen met bijbehorende competenties gekomen waar werkers in de jeugdzorg aan moeten voldoen, ongeacht welke opleiding ze precies volgen. Dat geeft hen houvast en een professionele identiteit. Er waren daarnaast nauwelijks leer- en werkstages, terugkomdagen op scholen en te weinig professionele begeleiding bij jonge medewerkers in probleemgezinnen. Dat is de laatste jaren sterk veranderd. Daarnaast is via onderzoek (o.a. Zon-Mw en Nationaal Jeugd Instituut) geïnvesteerd in de ontwikkeling van effectieve instrumenten, bijvoorbeeld voor vroegsignalering van problemen op scholen.
Kortom, er is ook in de wereld achter de CJG’s aan verbeteringen gewerkt. De politiek heeft echter de neiging alle aandacht te schenken aan de voorkant: de wachtlijsten en de incidenten. Minister Rouvoet had in de gaten dat je die problemen beter kunt aanpakken door te professionaliseren. Het nieuwe kabinet gaat helaas weer op z’n retour richting de volgende stelselwijziging.